![]() |
Wim Vogel:Het labyrint van Margreet Bouman |
|
Het labyrint van Margreet Bouman Dertig jaar geleden vroeg de redactie van het literaire tijdschrift De Revisor Nederlandse en Vlaamse auteurs om een zelfportret. Dat werden er 138, afgedrukt in Schrijvers tekenen zichzelf, ingeleid door Simon Carmiggelt en als een Revisorboekje in 1980 uitgegeven. Wie Margreet Bouman Werk 2002 -2009 bestudeert, wordt geconfronteerd met één lange zoektocht naar het eigen innerlijk. Die tocht voert haar wel verder en inderdaad steeds dichter bij het beoogde, maar het samenvallen van dat innerlijk met het op papier en doek gecreëerde beeld, blijft vooralsnog een utopie. Of, zoals zij bij Hurt Heads, een serie zelfportretten uit 2002, noteert: ‘it’s off in the distance, it came into the room, it‘s here in the circle’. Dat gekwetste gelaat wordt bedekt, verzorgd en fungeert ook zelf weer als een masker waarachter iets schuilgaat. Dat het raadsel van de binnenwereld onmogelijk vast te leggen is, te vangen is in kleuren en lijnen, in waterverf of in potloodtekeningen, is niet uitsluitend te wijten aan het onvermogen van de kunstenaar, maar veel meer aan de complexiteit van wat er verbeeld moet worden. Niet voor niets citeert Margreet Bouman in Werk 2002 – 2009 Willem Frederik Hermans die in zijn novelle Het behouden huis schrijft: Deze benen schaal met zijn bekleding van beweeglijk vel, daar komt alles vandaan: de andere mensen, de oorlog, de dromen, de woorden, de daden die zo vanzelf gaan dat men zich niet kan voorstellen ooit tot nadenken in staat geweest te zijn; zo vanzelf, alsof iemands daden de gedachten van de wereld zijn. Je zou een tweede hoofd moeten hebben om te begrijpen wat dat ene hoofd is... Uit die ‘benen schaal’, uit dat hoofd, ook uit dat van Margreet Bouman, komt alles voort: alle dromen, alle daden en dus ook alle vragen die wij stellen en alle illusies die wij over onszelf koesteren. Het is verleidelijk om Willem Frederik Hermans nogmaals te citeren. In het ultra korte essay Achter borden Verboden Toegang, uit de bundel Het sadistisch universum, becommentarieert hij de onbeholpen pogingen van de mens ooit iets van zijn wereld, en dus van zichzelf, te begrijpen. Wij gaan de aarde wel met reusachtige machines te lijf en graven in haar, maar dringen feitelijk nauwelijks tot haar door: Soms kan ik om die afgronden heenlopen, zonder iets te doen, bedenkend hoe de mens met waanzinnige krachtsinspanning kruimeltjes afknaagt van de enorme meteoor waar hij reddeloos aan gebonden is, waarop hij door het heelal giert als een drenkeling op een vlot en zonder ooit te mogen verwachten in de nabijheid van andere drenkelingen op andere vlotten te komen. Als we de twee citaten van Hermans aan elkaar koppelen, worden we iets gewaar van het universum waar Margreet Bouman zich verslingerd aan weet. Enerzijds maakt zij door ieder doek duidelijk dat het wezen van de mens, - zijn laatste gezicht -, ongrijpbaar is. Het is met lijnen en kleuren te benaderen , maar nooit zal je als kunstenaar tevreden achterover kunnen leunen en, wijzend naar je laatste werk kunnen zeggen: ‘Dit geeft precies aan waarnaar ik op zoek was.’ Helaas, én gelukkig, is er altijd méér. Tegelijkertijd illustreert haar oeuvre daardoor de nietigheid van ons handelen. Ook een beeldend kunstenaar komt niet verder dan, zoals Harry Mulisch het ooit verwoordde, het raadsel te vergroten. De zoektocht naar zichzelf valt in het werk van Bouman steeds meer samen met het proberen te achterhalen hoe en wie de ander is. Lees de titels van haar voorstellingen: 2003: I can’t see your face in my mind. 2005: I am just a dreamer, you are such a dream. 2007: ...ik dacht dat jij dacht.... Om in 2009 bijna bezwerend en tegen beter weten in te eindigen met: ...no, not dreaming. Een groot werk (124 x 142 cm), waterverf op papier, uit 2008 illustreert die bezwering: alle attributen die eerder werden gebruikt om je achter te verschuilen (dissonante kleuren, vingers, handen, handdoeken, maskers en stukken daarvan, medicinale (?) bladeren en vruchten), zijn verdwenen. En wat resteert? Ogen, die spiegels van de ziel, die veel meer naar binnen dan naar buiten staren, twijfel, verwarring, angst, verdriet. Een vrouw verdwaalt in het labyrint van haar eigen ik. Een vrouw die net als wij, behoefte heeft aan schilderijen, aan verhalen, die de verhalen in haar en in ons hoofd letterlijk en figuurlijk te lijf gaat. Wim Vogel 2010 |
||
Omgekeerde
portretten
|
||
|
Toen Narcissus zich over het water boog waarin de nimf Echo verdwenen was, zag hij zich zelf. De rimpelingen in het water trokken zijn spiegelbeeld uiteen of schoven het in elkaar: Hij was het zelfde nooit aan zich zelf gelijk. Verdronken in zijn melancholische overpeinzingen bleef Narcissus over het raadsel van zich zelf gebogen. In de schilderijen van Margreet Bouman staart een kop met ingekeerde blik in de verre diepte. Een diepte die wordt opengelegd of dichtgeschoven door tekens: aderen, cijfers, vierkanten, plattegronden, komma's. Symbolen voor het zelfde in steeds wisselende patronen. De kop lijkt de gevangene van dit raadsel dat zich zelf vergroot. "Deze benen schaal met zijn bekleding van beweeglijk vel, daar komt alles vandaan: de andere mensen, de wereld, de oorlog, de dromen, de woorden, de daden die zo vanzelfgaan dat men zich niet kan voorstellen ooit tot nadenken in staat geweest te zijn; zo vanzelf, alsof iemands daden de gedachten van de wereld zijn. Je zou een tweede hoofd moeten hebben om te begrijpen wat dat ene hoofd is, maar ik heb er maar een, hier is het in mijn handen, ik houd het vast op een manier waarop een mens nooit iets anders vasthoudt. Toch, als het niet door geleerden beweerd werd, dan zou je niet weten, dat het hoofd iets anders is dan een hand of een voet." (Willem Frederik Hermans, Het behouden huis). De kop, maar soms ook een hand, op de schilderijen van Margreet Bouman is de niet aflatende poging het tweede hoofd te creëren dat uitsluitsel over de eigen wereld kan geven. Maar zodra het schilderij voltooid is, leeft de kop zijn eigen geïsoleerde bestaan en spiegelt zich in tegenstellingen. Licht, donker; hard, zacht; binnen, buiten; deel, eenheid. Er is een nieuw hoofd nodig om deze tegenstellingen op te heffen, maar andere dienen zich dan al weer aan. In deze spiegelzaal is wat gezien, gedacht, geschilderd en uiteindelijk opgeroepen wordt nooit aan zich zelf gelijk. Lex ter Braak |
||
|
Het
labyrint spreekt tot de verbeelding. De meestal rationeel ogende omtrek
wekt de verwachting van een voorspoedige reis naar het centrum, waar
een andere kijk op de wereld wordt voorgespiegeld. Maar eenmaal binnen
raakt men het spoor echter snel bijster. Slechts in opperste concentratie,
stappen en hoeken tellend, is te achterhalen welke paden al begaan
zijn en welke nog niet. Geen wonder dat de labyrinten in laat-middeleeuwse
kerken wel geïnterpreteerd worden als verbeelding van symbolische
pelgrimages voor de vromen die de echte tocht naar Jeruzalem niet konden
ondernemen. Het labyrint wordt op die manier opgevat als imaginaire
geografie Els van Strien 1993 |
||
|
Margreet
Bouman schildert en doceerde grafiek aan de A.K.I. te Enschede (1988-1996).
Al vanaf haar opleiding aan de Lerarenopleiding Tekenen te Amsterdam,
van 1971 tot 1976, werkt ze figuratief, met acrylverf op grote doeken
van doorgaans twee bij drie meter en soms groter. Van kleiner formaat
zijn de voorstudies, de aquarellen, de grafiek en de bewerkte polaroids
van eigen schilderijen. Door invloeden van uiteenlopende schilders
als Rogier van der Weyden, Max Beckmann, en Diego Rivera is er sprake
van een sterk kleur- en vormgebruik. Een treffende installatie van deze ruimtescheppende arbeid maakte Margreet Bouman in 1988 in het Fort a/d Drecht: een klein munitiedepot zonder kijkgaten gaf zij door plaatsing van een aantal schilderijen aan alle kanten uitgangen naar buiten. Els van Strien 1991 |
||