Wim Vogel:Het labyrint van Margreet Bouman

Lex ter Braak: Omgekeerde portretten

Lex ter Braak: Het Hoofd

Els van Strien: Het Labyrinth

Els van Strien

 

Het labyrint van Margreet Bouman

Dertig jaar geleden vroeg de redactie van het literaire tijdschrift De Revisor Nederlandse en Vlaamse auteurs om een zelfportret. Dat werden er 138, afgedrukt in Schrijvers tekenen zichzelf, ingeleid door Simon Carmiggelt en als een Revisorboekje in 1980 uitgegeven.
Willem Brakman en Leon de Winter tekenden zichzelf op een wijze die ik interessant vind nu ik iets wil schrijven over de zelfportretten van Margreet Bouman. Bij Brakman zien we een bijna stripachtig mannetje, weggedoken in een winterjas met brede kraag. Op zijn hoed brandt een kaarsje, onder zijn linkerarm vervoert hij een armetierig kerstboompje. Het sneeuwt. Brakman schrijft eronder: ‘Innerlijk beeld / van buiten bezien’.
Nog treffender beeldt Leon de Winter de discrepantie tussen binnen- en buitenwereld uit. We zien hem van achteren getekend: een joodse man met, hoog op zijn hoofd, de bekende zwarte hoed. Aan weerszijden daarvan gekrulde, zwarte lokken. Naast dat achterhoofd van de joodse man, herkennen we de Leon de Winter van eind jaren zeventig. Baard, snor, lange haren, rechts een flauwe scheiding. De Winters literaire problematiek kon niet beter worden geïllustreerd: een modieuze jongen, zich voortdurend bewust van zijn joodse identiteit.
Brakman en De Winter presenteren zich als complexe persoonlijkheden voor wie hun eigen, innerlijke wereld vol raadsels en vragen zit. In de vele romans en verhalen die zij in de dertig jaren nadien publiceerden, confronteren zij ons voortdurend met dezelfde vragen; hoe verhouden zich die twee werelden met elkaar en wat verbergen wij achter de maskers die wij allemaal van tijd tot tijd opzetten?

Wie Margreet Bouman Werk 2002 -2009 bestudeert, wordt geconfronteerd met één lange zoektocht naar het eigen innerlijk. Die tocht voert haar wel verder en inderdaad steeds dichter bij het beoogde, maar het samenvallen van dat innerlijk met het op papier en doek gecreëerde beeld, blijft vooralsnog een utopie. Of, zoals zij bij Hurt Heads, een serie zelfportretten uit 2002, noteert: ‘it’s off in the distance, it came into the room, it‘s here in the circle’. Dat gekwetste gelaat wordt bedekt, verzorgd en fungeert ook zelf weer als een masker waarachter iets schuilgaat.

Dat het raadsel van de binnenwereld onmogelijk vast te leggen is, te vangen is in kleuren en lijnen, in waterverf of in potloodtekeningen, is niet uitsluitend te wijten aan het onvermogen van de kunstenaar, maar veel meer aan de complexiteit van wat er verbeeld moet worden. Niet voor niets citeert Margreet Bouman in Werk 2002 – 2009 Willem Frederik Hermans die in zijn novelle Het behouden huis schrijft:

Deze benen schaal met zijn bekleding van beweeglijk vel, daar komt alles vandaan: de andere mensen, de oorlog, de dromen, de woorden, de daden die zo vanzelf gaan dat men zich niet kan voorstellen ooit tot nadenken in staat geweest te zijn; zo vanzelf, alsof iemands daden de gedachten van de wereld zijn. Je zou een tweede hoofd moeten hebben om te begrijpen wat dat ene hoofd is...

Uit die ‘benen schaal’, uit dat hoofd, ook uit dat van Margreet Bouman, komt alles voort: alle dromen, alle daden en dus ook alle vragen die wij stellen en alle illusies die wij over onszelf koesteren.

Het is verleidelijk om Willem Frederik Hermans nogmaals te citeren. In het ultra korte essay Achter borden Verboden Toegang, uit de bundel Het sadistisch universum, becommentarieert hij de onbeholpen pogingen van de mens ooit iets van zijn wereld, en dus van zichzelf, te begrijpen. Wij gaan de aarde wel met reusachtige machines te lijf en graven in haar, maar dringen feitelijk nauwelijks tot haar door:

Soms kan ik om die afgronden heenlopen, zonder iets te doen, bedenkend hoe de mens met waanzinnige krachtsinspanning kruimeltjes afknaagt van de enorme meteoor waar hij reddeloos aan gebonden is, waarop hij door het heelal giert als een drenkeling op een vlot en zonder ooit te mogen verwachten in de nabijheid van andere drenkelingen op andere vlotten te komen.

Als we de twee citaten van Hermans aan elkaar koppelen, worden we iets gewaar van het universum waar Margreet Bouman zich verslingerd aan weet. Enerzijds maakt zij door ieder doek duidelijk dat het wezen van de mens, - zijn laatste gezicht -, ongrijpbaar is. Het is met lijnen en kleuren te benaderen , maar nooit zal je als kunstenaar tevreden achterover kunnen leunen en, wijzend naar je laatste werk kunnen zeggen: ‘Dit geeft precies aan waarnaar ik op zoek was.’ Helaas, én gelukkig, is er altijd méér. Tegelijkertijd illustreert haar oeuvre daardoor de nietigheid van ons handelen. Ook een beeldend kunstenaar komt niet verder dan, zoals Harry Mulisch het ooit verwoordde, het raadsel te vergroten.

De zoektocht naar zichzelf valt in het werk van Bouman steeds meer samen met het proberen te achterhalen hoe en wie de ander is. Lees de titels van haar voorstellingen: 2003: I can’t see your face in my mind. 2005: I am just a dreamer, you are such a dream. 2007: ...ik dacht dat jij dacht.... Om in 2009 bijna bezwerend en tegen beter weten in te eindigen met: ...no, not dreaming.

Een groot werk (124 x 142 cm), waterverf op papier, uit 2008 illustreert die bezwering: alle attributen die eerder werden gebruikt om je achter te verschuilen (dissonante kleuren, vingers, handen, handdoeken, maskers en stukken daarvan, medicinale (?) bladeren en vruchten), zijn verdwenen. En wat resteert? Ogen, die spiegels van de ziel, die veel meer naar binnen dan naar buiten staren, twijfel, verwarring, angst, verdriet. Een vrouw verdwaalt in het labyrint van haar eigen ik. Een vrouw die net als wij, behoefte heeft aan schilderijen, aan verhalen, die de verhalen in haar en in ons hoofd letterlijk en figuurlijk te lijf gaat.

Wim Vogel 2010


   

Omgekeerde portretten

Het zelfportret kan voor de kunstenaar een middel tot reflectie zijn. Zijn kop dient als een medium om de sporen van het leven en de tijd een gezicht te geven. Zelden zijn die sporen eenduidig: waar de een verdriet en wanhoop ontwaart, ziet de ander resignatie en gelatenheid. Maar dat het gezicht spreekt, is voor iedereen duidelijk - ook al is de taal waarin het zich uit niet altijd even verstaanbaar.

Het schilderen van zijn eigen kop kan voor de kunstenaar ook het tastbare bewijs van zijn bestaan zijn. Niet alleen omdat het geschilderde langer zal bestaan dan het reële voorbeeld, maar ook omdat het gezicht als het ware uit zichzelf getreden is en een ander (misschien wel zijn eigen en echte) leven is gaan leiden. Over die grotere werkelijkheid van het geschilderde portret zijn vooral in de negentiende eeuw veel verhalen geschreven. In the picture of Dorian Gray van Oscar Wilde is het geschilderde gezicht de chronometer van de innerlijke tijd geworden. uiterst nauwkeurig manifesteert het verborgen leven van Dorian Gray zich in zijn portret.

Deze animistische visie op het portret verklaart ten dele de angst die een portret de beschouwer in kan boezemen. Oog in oog met de roerloze kop heeft de toeschouwer het gevoel dichter bij een waarheid te zijn die hij wil vermijden. Innerlijke drijfveren die in de verf zijn gestold en die zich gewillig laten lezen. Maar die in hun roerloosheid de beschouwer ook weer op een afstand plaatsen en hem buitensluiten. Hij beweegt zich in zijn beschouwing op de grenzen van betekenissen. Stapt hij erin dan wordt hij deelgenoot, lotgenoot zelfs - blijft hij er buiten dan weet hij dat op de zolder van zijn geheugen een portret ligt dat erom vraagt gekend te worden. Dat knaagt.

Maskers daarentegen zijn zonder meer de herkenbare betekenisdragers van andere werkelijkheden. Zij vertolken algemene emotionele en spirituele waarheden die zich vooraf al hebben laten kennen en die op het moment van hun gebruik opnieuw ingevuld worden; daarmee krijgen maskers het werkelijkheidsgehalte waar de portretten uit de negentiende-eeuwse literatuur op papier naar reikten. Tegelijk zijn de maskers een sacrale sjablone; het gaat niet om de weergave van individuele emoties maar om hun toegankelijkheid tot het algemene. Daarom ligt hun betekenis vast. En van tijd tot tijd wordt die gerevitaliseerd om het verdrogen van de betekenis tegen te gaan.

De gezichten in de schilderijen van Margreet Bouman hebben zich altijd bewogen op de vage demarcatielijn tussen portretstudie en masker. De koppen waren duidelijk herkenbaar als gestileerde zelfportretten, maar de afwezigheid van het in het moment weergegeven leven verhinderde de beschouwer ze als werkelijke zelfreflectie te ervaren. Voor een ware gang naar de diepere lagen van het ik waren ze net te sjablone-achtig. Ze dienden meer als houvast om de veelheid aan psychische verwijzingen en metaforen te bevatten dan als het vehikel van de geindividualiseerde tijd (die zich in het portret laat afmeten).

In haar recente tekeningen heeft Margreet Bouman de onvaste grens tussen portret en masker opgeheven. In elke tekening plaatst zij dezelfde kop die daarmee een sjablone geworden is. Deze ontindividualisering en ontpsychologisering worden versterkt door de wijze waarop de kop zich in het geheel van de tekening voegt. Door de kop heen lichten andere, onderliggende lagen op: andere momenten van de kop (c.q. het ik) of maskers die de kop bevriezen in zijn pogingen authentiek te zijn. Tegeli jk wordt de kop formeel gekadreerd en gevangen in rasterpatronen, stippen en loodlijnen. Een tekensysteem dat de inhoud in strakke vormen bezweert.

De tekeningen zouden gelezen kunnen worden als de verklaring van het beeld tot icoon, de weg van portret tot masker. Zij tonen de stapelingen, als technische blauwdrukken, van het tot icoon geworden beeld. Wat wij als individuele trekken en sporen zouden willen nawijzen, is het teken van iets anders geworden. Van een oudere, of achterliggende laag die zelf weer oudere lagen bevat. Tot voorbij een punt dat gekend kan worden en waar het algemene zich oplost in het persoonlijke. Deze omgekeerde weg van masker naar ongekend portret is als de ontdekking van de archeoloog: in de onderzochte,


Lex ter Braak 1995


 

Het hoofd

Toen Narcissus zich over het water boog waarin de nimf Echo verdwenen was, zag hij zich zelf. De rimpelingen in het water trokken zijn spiegelbeeld uiteen of schoven het in elkaar: Hij was het zelfde nooit aan zich zelf gelijk. Verdronken in zijn melancholische overpeinzingen bleef Narcissus over het raadsel van zich zelf gebogen.

In de schilderijen van Margreet Bouman staart een kop met ingekeerde blik in de verre diepte. Een diepte die wordt opengelegd of dichtgeschoven door tekens: aderen, cijfers, vierkanten, plattegronden, komma's. Symbolen voor het zelfde in steeds wisselende patronen. De kop lijkt de gevangene van dit raadsel dat zich zelf vergroot.

"Deze benen schaal met zijn bekleding van beweeglijk vel, daar komt alles vandaan: de andere mensen, de wereld, de oorlog, de dromen, de woorden, de daden die zo vanzelfgaan dat men zich niet kan voorstellen ooit tot nadenken in staat geweest te zijn; zo vanzelf, alsof iemands daden de gedachten van de wereld zijn. Je zou een tweede hoofd moeten hebben om te begrijpen wat dat ene hoofd is, maar ik heb er maar een, hier is het in mijn handen, ik houd het vast op een manier waarop een mens nooit iets anders vasthoudt. Toch, als het niet door geleerden beweerd werd, dan zou je niet weten, dat het hoofd iets anders is dan een hand of een voet." (Willem Frederik Hermans, Het behouden huis).

De kop, maar soms ook een hand, op de schilderijen van Margreet Bouman is de niet aflatende poging het tweede hoofd te creëren dat uitsluitsel over de eigen wereld kan geven. Maar zodra het schilderij voltooid is, leeft de kop zijn eigen geïsoleerde bestaan en spiegelt zich in tegenstellingen. Licht, donker; hard, zacht; binnen, buiten; deel, eenheid. Er is een nieuw hoofd nodig om deze tegenstellingen op te heffen, maar andere dienen zich dan al weer aan.

In deze spiegelzaal is wat gezien, gedacht, geschilderd en uiteindelijk opgeroepen wordt nooit aan zich zelf gelijk.

Lex ter Braak


 

Het labyrinth

Het labyrint spreekt tot de verbeelding. De meestal rationeel ogende omtrek wekt de verwachting van een voorspoedige reis naar het centrum, waar een andere kijk op de wereld wordt voorgespiegeld. Maar eenmaal binnen raakt men het spoor echter snel bijster. Slechts in opperste concentratie, stappen en hoeken tellend, is te achterhalen welke paden al begaan zijn en welke nog niet. Geen wonder dat de labyrinten in laat-middeleeuwse kerken wel geïnterpreteerd worden als verbeelding van symbolische pelgrimages voor de vromen die de echte tocht naar Jeruzalem niet konden ondernemen. Het labyrint wordt op die manier opgevat als imaginaire geografie
Labyrinten, kronkelende dwaalwegen en geometrische diagrammen zijn in het werk van Margreet Bouman volop aanwezig. Voor haar zijn het denkmodellen, die ordening aanbrengen in het onbegrensde schemerrijk van het onderbewuste. Daarmee sluit ze aan bij de traditionele betekenis van het labyrint als de kosmos op schaal.
Een gedachte dwaalt af, zakt weg in het onderbewuste, bereikt af en toe een punt van herkenning, draait rond zonder zeker te weten of het doel nader komt, en bereikt dankzij die herkenningspunten uiteindelijk de plaats van bestemming. Thema in Boumans vroegere werk was ook die persoonlijke binnenwereld waar associaties vrij spel hebben. In schemering ( 1988) en Het zevende continent ( l 989/90), zijn daarvan goede voorbeelden. Nu ze is gestuit op het denksysteem in het hoofd, doet ze verwoede pogingen een verband aan te brengen tussen het bewuste en onderbewuste. Strukturen ( 1990) is daarvan een eerste neerslag in een reeks. De kop, sjabloon van een zelfportret is nog steeds toegangspoort tot de innerlijke wereld maar ook schakel naar de bewuste wereld. De kop bevat het geheim van het labyrint.
Al deze recente schilderijen stellen de vraag naar het verloop van het denken aan de orde: welk patroon volgt een gedachte in het hoofd, welk patroon neemt een gedachte van buiten mee naar binnen en vice versa. De relatie tussen de twee polen van het denken, het bewuste en het onbewuste, leidt tot steeds nieuwe strukturen.
In sommige schilderijen vallen die twee werelden samen zoals in Binnen/buiten-buiten/binnen (1992). In andere is de wisselwerking zichtbaar: patronen herhalen zich van de randen van het schilderij naar binnen toe, maar raken niet verstrikt. Het labyrint is bij Bouman nooit een nachtmerrie, maar een uitdaging, een systeem dat hoe paradoxaal van aard ook, de chaos beteugelt.

Els van Strien 1993


 

Margreet Bouman schildert en doceerde grafiek aan de A.K.I. te Enschede (1988-1996). Al vanaf haar opleiding aan de Lerarenopleiding Tekenen te Amsterdam, van 1971 tot 1976, werkt ze figuratief, met acrylverf op grote doeken van doorgaans twee bij drie meter en soms groter. Van kleiner formaat zijn de voorstudies, de aquarellen, de grafiek en de bewerkte polaroids van eigen schilderijen. Door invloeden van uiteenlopende schilders als Rogier van der Weyden, Max Beckmann, en Diego Rivera is er sprake van een sterk kleur- en vormgebruik.
Naast de immens grote vrouwefiguren, die vooral het werk van de jaren 1983 tot 1988 beheersen, schildert Bouman vormen die doen denken aan voorwerpen en motieven uit niet-westerse culturen. Thematisch is er affiniteit te bespeuren met de theorien van Sigmund Freud over de slaap en de droom, waarvoor zij zich al sinds haar studietijd interesseert.
In de jaren 1981 en 1982 begon ze, na een periode van bezinning op haar werk, een meer persoonlijke schilderkunst na te streven. Ze beperkt zich sindsdien tot de uitbeelding van zichzelf in een sterk inhoudelijke beeldtaal.
Haar slechts in grote trekken herkenbare portret is als pregnant element in elk schilderij aanwezig. Toch is dat enkel bedoeld als buitenvorm, niet als een object van nadere studie. Het portret is alleen de omslotenheid van het werkelijk persoonlijke, het onbewuste of, zoals Freud zegt, 'het zevende continent'. Die binnenwereld ontsluit zij, waarbij ze de onverwacht grote dimensies toont die een klein doek te buiten gaan. Met archetypische vormen als de boot, de gang, en het labyrint, zinspeelt ze op onbeperkte mogelijkheden van het zien, voelen, horen, proeven en ruiken.

Een treffende installatie van deze ruimtescheppende arbeid maakte Margreet Bouman in 1988 in het Fort a/d Drecht: een klein munitiedepot zonder kijkgaten gaf zij door plaatsing van een aantal schilderijen aan alle kanten uitgangen naar buiten.

Els van Strien 1991